Medieval Memoria Online

1. De dodengedachtenis in de middeleeuwen


Samenvatting



Boven: Museum Catharijneconvent Utrecht ABM h20,
f. 198 v
Onder: Zie MeMO memorial object ID 581

Het gedenken van de doden is van alle tijden en culturen. De MeMO-database is echter alleen bedoeld voor het onderzoek van de dodengedachtenis (memoria) in het middeleeuwse (westerse) christendom. Onderzoekers die zich in dit fenomeen verdiepen, hebben gekozen voor een benadering waarin niet alleen de zorg voor de doden centraal wordt gesteld. Ze beschouwen de memoria als een complex van opvattingen en handelingen waarin de zorg voor het hier en nu, en de zorg voor het hiernamaals onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn.

Door hier op aarde te leven als een goed christen en bijvoorbeeld schenkingen te doen aan de armen, kon men zijn verblijf in het vagevuur bekorten en sneller het hemelrijk betreden, temeer omdat de ontvangers van de weldaden zich verplichtten tot gebed voor het zielenheil van de gulle gevers. Via schenkingen, stichtingen en andere goede werken kon men echter ook laten zien met welke gemeenschappen men zich verbonden voelde en zijn politieke en maatschappelijke standpunten verwoorden of verbeelden. De memoria bood middeleeuwse christenen dus ook de mogelijkheid om uitdrukking te geven aan hun identiteit.

Voor het memoriaonderzoek is naast casusonderzoek ook breed kwantitatief en kwalitatief onderzoek belangrijk, omdat men daardoor het gewone van het bijzondere kan onderscheiden. Onderzoek van verschillende gebieden en van veranderingen door de tijd heen is eveneens van belang.

Onderzoekers van de dodengedachtenis worden echter steeds opnieuw geconfronteerd met een lastig probleem: het onderzoeksmateriaal is verspreid geraakt en vaak is het bestaan ervan zelfs onbekend. De MeMO-database biedt daarom inventarisaties met beschrijvingen van objecten en teksten die een functie vervulden in de memoria. Het geïnventariseerde gebied is het huidige Nederland en de tijdsperiode loopt tot 1580.


1.1 De basis van de dodengedachtenis

Toen Christus stierf aan het Kruis werd het hemels paradijs weer toegankelijk voor de mensheid, zo leert het christendom (afb.1). De zondeval van Adam en Eva was immers met Christus' dood tenietgedaan. De eerste christenen meenden dat het Laatste Oordeel niet lang op zich zou laten wachten. Leven als een goed christen was voldoende om in de hemel te komen. Toen dat Oordeel steeds maar uitbleef, ging men zich noodgedwongen afvragen wat er met de zielen van de overledenen gebeurde tot het moment van het Laatste Oordeel.

Hierdoor ontstond in de loop der tijd het concept van het vagevuur, een derde plaats voor de mens na zijn dood, naast de hemel en de hel. Uiteindelijk werd het bestaan van het vagevuur opgenomen in de leer van de westerse Kerk. Volgens deze leer vindt direct na de dood het Tijdelijk Oordeel plaats, waarna de volmaakte christenen, de heiligen, onmiddellijk toegang krijgen tot de hemel. De verdoemden, degenen die vóór hun dood geen vergiffenis hebben gevraagd voor hun grote zonden, moeten voor eeuwig branden in de hel. Degenen die nog boete moeten doen, maar van wie de zonden zijn vergeven, worden veroordeeld tot een verblijf in het vagevuur (afb. 2).

Het vagevuur is weliswaar een plaats van pijn en verdriet, maar het heeft maar één uitgang en deze leidt naar de hemel. De lengte van het verblijf in het vagevuur is afhankelijk van de duur van de straf die men moet uitzitten. Bij het Laatste Oordeel verdwijnt het vagevuur en blijven alleen de hemel en de hel voortbestaan, tot in de eeuwigheid (afb. 3).

Het was dus zaak zo goed mogelijk te leven. Dat betekende zo min mogelijk zondigen en de tien geboden naleven, de werken van barmhartigheid beoefenen en de Kerk steunen met geld en goederen (afb. 4). Dat laatste kon ook door in kerken en kloosters missen en memoriediensten te stichten om de straffen in het vagevuur te bekorten voor zichzelf en anderen. Dit bezorgde de geestelijkheid en kloosterlingen tevens inkomsten voor hun levensonderhoud. De armen en zieken die voedsel of andere hulp kregen, werden geacht met gebed en door het bijwonen van memoriediensten hun weldoeners te helpen met het bekorten van hun verblijf in het vagevuur.


     
Links: Afb. 2. Museum Catharijneconvent, Utrecht OKM h1 f. 175v
Midden: Afb. 3. Zie MeMO memorial object ID 2481
Rechts: Afb. 4. Zie MeMO text carrier ID 314 en de website van de St. Plechelmusbasiliek

Terug naar boven

1.2 Dodengedachtenis en identiteit

Een publieke aangelegenheid
Onderzoekers van de middeleeuwse dodengedachtenis oftewel memoria beschouwen het uitgangspunt 'voor wat hoort wat', (do ut des), als een van de belangrijkste principes, voor zowel de middeleeuwse samenleving in het algemeen als voor de memoria. De dodengedachtenis werd gekenmerkt door een combinatie van zorg voor het hiernamaals en zorg voor het hier en nu. Daarom wordt er vaak gesproken van de 'gemeenschap van de levenden en de doden': via het noemen van de naam van de overledenen in gebeden, en via hun goede daden bleven zij na hun dood deel uitmaken van de gemeenschappen waartoe zij tijdens hun leven op aarde hadden behoord.

De memoria was dus een publieke aangelegenheid, maar er waren ook taken die men individueel verrichtte. Zo was het bidden bij een graf van een overleden medebroeder of -zuster, familielid of weldoener een onderdeel van de verplichtingen die men had als lid van de gemeenschappen (broederschap, klooster, familie, etc.) waarvan men deel uitmaakte.

Binnen die verwevenheid van de zorg voor het hier en het hiernamaals zijn verschillende aspecten te onderscheiden. Op de eerste plaats is er het religieuze en liturgische aspect. Daarnaast zijn er de sociale aspecten, zoals het zich identificeren met bepaalde groepen door juist die gemeenschappen te steunen (de eigen familie, de eigen kloostergemeenschap, het eigen gilde, etc.). Ook historische en politiek-maatschappelijke aspecten speelden een rol: het doen herinneren aan gebeurtenissen en aan belangrijke weldaden die instellingen ontvingen, zoals landerijen, roerend goed en privileges. Het gedenken van dit soort zaken kon ook een juridische functie hebben met name indien bepaalde goederen en rechten betwist werden. Zie hierover ook Commemoration in the convent Mariënpoel: prayer and politics.

Het vormen en uitdrukking geven aan identiteiten
De dodengedachtenis gaf mensen dus de mogelijkheid zichzelf te positioneren en uitdrukking te geven aan de eigen identiteit. De kunstwerken die werden vervaardigd, fungeerden als communicatiemiddelen, net als de teksten die werden voorgelezen, de rituelen die plaatsvonden en de schenkingen die werden gedaan. Via een schenking aan een klooster van de dominicanen bijvoorbeeld, toonde men erop te vertrouwen dat daar de gebeden en de diensten ten behoeve van het zielenheil goed werden verzorgd. Tevens kon men daarmee uitdrukking geven aan een verwantschap met de religiositeit van de dominicaner orde. Had men familie in het klooster dan was identificatie met de orde en de daaruit voortvloeiende identiteit als aanhanger van de doelstellingen en het gedachtegoed van de dominicanen mogelijk nog sterker.

Een ander voorbeeld van het tonen van identiteit en verbondenheid zijn de groepsportretten van de Jeruzalemvaarders uit Amsterdam, Haarlem en Utrecht. Alle afgebeelde personen profileren zich als pelgrim naar Jeruzalem met behulp van het Jeruzalemkruis en de palmtak. De grafstenen van enkele van deze bedevaartgangers maken echter duidelijk dat zij ook pelgrimages maakten naar andere oorden, maar daar wordt in de portretseries maar een paar keer naar verwezen. Dat is te begrijpen want deze series waren bedoeld om een specifieke groepsidentiteit te benadrukken, namelijk die van pelgrims naar Jeruzalem. Andere pelgrimstekens waren daarom minder relevant en konden zelfs als ongewenst worden beschouwd (afb. 5a en 5b). Een grafsteen kon daarentegen bedoeld zijn om de diverse aspecten van de identiteit van een specifieke persoon en diens verwantschap met diverse groepen te tonen. Zie ook Jeruzalemvaarders in Beeld.

Ook geschreven bronnen bieden inzicht in identiteitsvormingsprocessen. Denk bijvoorbeeld aan kronieken waarin de stichting van het klooster wordt verhaald, met alles wat de stichter en zijn familie en vrienden voor het nieuwe klooster deden, en met verhalen over de schenkingen van latere weldoeners (afb. 6). Ook bijvoorbeeld de grafboeken waarin de namen staan opgetekend van de leken die in een klooster waren begraven, tonen wie zich kennelijk verwant voelde met die instelling.

Men kon, kortom, via de dodengedachtenis en de schenkingen en stichtingen die men deed, laten zien wie men was en waar men voor stond. Twee belangrijke vragen voor het memoriaonderzoek zijn dan ook:

  • Op welke manieren speelde memoria een rol in zowel de vorming als de uitdrukking van de identiteit van gemeenschappen zoals geestelijke orden, parochies, broederschappen en families, in de middeleeuwen?
  • Op welke manieren varieerden de vorming en de uitdrukking van memoria tussen deze gemeenschappen, en hoe veranderde de memoria in de loop van de tijd?


Terug naar boven

1.3 Het gebruik en functioneren van memoriabronnen

Objecten en handschriften die een rol speelden binnen de dodengedachtenis zijn allemaal te beschouwen als gebruiksvoorwerpen. Verhalende bronnen konden bijvoorbeeld worden voorgelezen ter educatie en tot gedachtenis. Kalenders waarin de te verrichten memoriediensten waren aangetekend, dienden om instellingen te herinneren aan de verplichtingen die men had jegens hun weldoeners en wanneer de diensten moesten plaatsvinden (afb. 7). Memorievoorstellingen en grafzerken waren onder andere bedoeld om de gelovigen op te roepen tot gebed voor de overledenen.

Dit wil niet zeggen dat de bedoelingen van de opdrachtgevers of instellingen altijd werden opgepakt en dat schenkingen steeds het gewenste effect hadden. De gelovigen konden voorbijgaan aan de talrijke oproepen tot gebed op grafzerken en memorievoorstellingen, om maar een voorbeeld te noemen. Men kon het ook niet eens zijn met de boodschappen die opdrachtgevers wilden overdragen via de rituelen, preken en voorstellingen waarvoor zij betaald hadden.

Zo was het gebrandschilderde glas dat in 1557-1559 in de Goudse St. Janskerk werd aangebracht als schenking van Filips II onder andere bedoeld om hem te tonen als de wettelijke vorst van de Nederlanden (afb. 8). Vanaf 1559 werd de legitimiteit van Filips' positie echter steeds meer betwist. In 1568 brak de Opstand uit en in 1581 besloten de Staten Generaal Filips II af te zetten als vorst. Degenen die het glas zagen, kunnen dus opvattingen hebben gehad die haaks stonden op die van Filips en zijn aanhangers.


Terug naar boven

1.4 Het memoriaonderzoek en het MeMO-project

Bij onderzoek naar identiteiten moet onder andere worden achterhaald op welke punten groepen zich onderscheiden van andere groepen en hoe personen zich profileren als lid van een groep. Men denke daarbij aan verschillende soorten familiegroepen, maatschappelijke standen en functies, en organisaties zoals gilden en kloosterorden.

Onderzoekers moeten de bronnen dus kunnen beoordelen op de mate waarin de inhoud en verschijningsvorm gangbaar was of juist bijzonder. Is een memorievoorstelling met een Kruisiging en gebedsportretten er een van dertien in een dozijn, of zijn bepaalde onderdelen van de iconografie juist bijzonder? Bevat een stichtingsakte waarin de nagedachtenis van een familie wordt geregeld de gebruikelijke bepalingen of wijkt deze op bepaalde punten af? Dit soort vragen zijn mogelijk te achterhalen via een combinatie van breed kwantitatief en kwalitatief onderzoek enerzijds en casusonderzoek anderzijds, zie het voorbeeld onder 1.5.

Onderzoekers van de dodengedachtenis worden echter keer op keer geconfronteerd met een lastig probleem: het onderzoeksmateriaal is verspreid geraakt en vaak is het bestaan van belangrijke bronnen zelfs niet bekend. De MeMO-database biedt daarom inventarisaties met beschrijvingen van objecten en teksten die een functie vervulden in de memoria. De bronnentypen die in de database zijn opgenomen zijn:

  • grafmonumenten en grafzerken
  • memorievoorstellingen
  • tekstdragers met memorieregisters
  • tekstdragers met verhalende bronnen die een functie hadden in de dodengedachtenis.
Voor nadere uitleg over deze bronnentypen zie hoofdstuk vier en hoofdstuk vijf.

De inventarisatie betreft het gebied van het huidige Nederland tot 1580 (zie kaart in hoofdstuk zeven). Rond dat jaar maakte in het grootste deel van Nederland de katholieke religie als publieke godsdienst plaats voor wat in die tijd de gereformeerde religie werd genoemd. Hierdoor kwam in die gebieden langzaam maar zeker een einde aan de dodengedachtenis in haar middeleeuwse gedaante. Noord-Brabant, Limburg, delen van Gelderland en Zeeuws-Vlaanderen bleven grotendeels katholiek, al wisselden de katholieke en gereformeerde religie elkaar tot 1648 met tussenpozen af.


  
Links: Afb. 7. Zie MeMO text carrier ID 423
Rechts: Afb. 8. Zie MeMO memorial object ID 872

Terug naar boven

1.5 Breed kwantitatief en kwalitatief onderzoek



Boven: Afb. 9. Zie MeMO memorial object ID 1385
Onder: Afb. 10. Zie MeMO memorial object ID 718

Tellen ter voorbereiding van een onderzoek
De database is een geschikt hulpmiddel voor het verzamelen van kwantitatieve gegevens. Daarbij kan het gaan om eenvoudige tellingen. Hoeveel registers met schenkingen uit parochiekerken zijn er nu bekend en beschreven, en hoeveel uit kloosters? Hoeveel handschriften met levensbeschrijvingen van kloosterlingen bevinden zich momenteel in het buitenland?

Dit soort praktische en inhoudelijke vragen kunnen beslissend zijn voor het starten van een nieuw onderzoek. Zo blijken de grote aantallen Latijnse en Nederlandse inscripties op grafzerken en andere monumenten in de MeMO-database zich uitstekend te lenen voor een vergelijkende analyse van deze teksten (afb. 9). De transcripties van de grafteksten in de handschriften van de Utrechtse geschiedkundige Arnoldus Buchelius (1565-1641) kunnen eventueel in dit onderzoek worden betrokken waardoor met nog grotere aantallen kan worden gewerkt. De onderzoeker kan bijvoorbeeld nagaan:

  • In hoeverre de keuze van de taal te maken heeft met de stand of sociale klasse van de herdachte personen en de functies die zij bekleedden,
  • In welke opzichten de vorm en inhoud van de teksten in de twee talen van elkaar verschillen en in welke mate het middeleeuws en het humanistisch Latijn hierin een rol speelden,
  • en in het algemeen
  • Of er op deze punten veranderingen zijn te constateren van gebied tot gebied en door de tijd heen.

    Een casus in een breder perspectief plaatsen
    Je kunt kwantitatief onderzoek ook aangrijpen om een casus in een breder perspectief te plaatsen en na te gaan in welk opzicht deze casus gewoon is of juist bijzonder. Het tellen van voorstellingen met gebedsportretten laat bijvoorbeeld zien dat het drieluik met het Laatste Oordeel van Anna van Noordwijk in één opzicht een voorstelling is van dertien in een dozijn (afb. 10). Op het linkerluik zijn Anna's man en hun zoons afgebeeld en op het rechterluik Anna en hun dochter. Op het middenpaneel knielen links de grootouders en rechts de ouders van Anna, met de vrouwen achter hun man.

    Mannen zijn consequent op de belangrijkste plaats geportretteerd, en wel volgens de twee standaardopstellingen die voor memorievoorstellingen golden voor het gebied van het huidige Nederland: ofwel de mannen knielden rechts van de religieuze voorstelling (dus links voor de beschouwer) en de vrouwen links ervan (rechts voor de beschouwer), ofwel de vrouwen knielden achter de mannen. Juist omdat men zich streng aan deze patronen hield, zo is uit onderzoek gebleken, tonen afwijkingen hiervan dat de opdrachtgever(s) kennelijk iets bijzonders wilden laten weten over de herdachte personen. Tevens is gebleken dat bij voorstellingen waarin meer echtparen voorkomen de personen zo zijn geplaatst dat er geen misverstand kan bestaan over welke personen een paar vormden.

    Het drieluik met het Laatste Oordeel vertoont wat betreft de plaatsing van mannen en vrouwen geen afwijkingen, maar in een ander opzicht is het wel een opvallend stuk. De wapenschilden wijzen erop dat het geslacht Van Noordwijk, het geslacht waaruit de echtgenote afkomstig was, centraal staat. En dat lijkt bijzonder te zijn geweest: van de memorievoorstellingen waarvan de herdachte personen geïdentificeerd zijn, kennen we op dit moment geen andere memorievoorstelling waarin de overleden voorouders van de echtgenote worden herdacht en waarvan deze echtgenote de opdrachtgeefster was.

    Want het is vrijwel zeker dat Anna van Noordwijk het drieluik liet maken. De voorstelling toont de portretten van haar voorgeslacht en het drieluik wordt op stilistische gronden rond 1512 gedateerd. Het is dan ook goed mogelijk dat het kort na de dood van Anna's man in dat jaar werd vervaardigd.

    In de literatuur wordt vaak zonder enige argumentatie aangenomen dat het de mannen waren die de opdrachten voor schenkingen en stichtingen gaven. Bij het bestuderen van de schriftelijke bronnen die de memoria betreffen, zo hebben verschillende onderzoekers al geconstateerd, blijkt echter dat een groot aandeel van vrouwen verondersteld mag worden. Een grootschalig vergelijkend onderzoek naar de rol van mannen en vrouwen in schenkings- en stichtingspraktijken is zeer gewenst.

    Memorievoorstellingen met meer dan twee generaties zijn hoe dan ook zeldzaam. In de database met meer dan 450 memorievoorstellingen zijn er op dit moment circa 15 te vinden met (leden van) drie of vier generaties. Op de andere voorstellingen staan voor het overgrote deel één persoon, een echtpaar of een gezin.

    Er is nog iets bijzonders: er is een Laatste Oordeel afgebeeld, maar Maria en Johannes de Doper bevinden zich niet zoals gebruikelijk in de hemel ter weerszijden van de oordelende Christus, maar achter de portretten op de luiken. Dit betekent dat de heiligen die standaard voorkomen in een voorstelling met het Laatste Oordeel hier dus als de beschermheiligen van de geportretteerde personen zijn afgebeeld.


    Terug naar boven

    1.6 Literatuur en websites

    De onderstaande literatuurvermelding is vanzelfsprekend slechts een selectie van de beschikbare literatuur over de dodengedachtenis in de middeleeuwen. Voor een beknopte bespreking van internationale literatuur tot 2011: Van Bueren, Ragetli en Bijsterveld, 'Researching Medieval Memoria: Prospects and Possibilities'. Voor een bibliografie over het memoriaonderzoek in de Nederlanden, zie Kim Ragetli, Viera Bonenkampovà, Martine Meuwese, Bibliography on Medieval Memoria Research for the Low Countries.

    Literatuur

    • Angenendt, Arnold, 'Theologie und Liturgie der mittelalterlichen Totenmemoria' in: Karl Schmid en Joachim Wollasch (red.), Memoria. Der geschichtliche Zeugniswert des liturgischen Gedenkens im Mittelalter. Münstersche Mittelalterschriften 48 (München 1984) 80-199.
    • Bijsterveld, Arnoud-Jan A., Do ut des. Gift Giving, Memoria, and Conflict Management in the Medieval Low Countries (Hilversum 2007).
    • Blockmans, Wim, Antheun Janse (red.), Showing Status: Representations of Social Positions in the Late Middle Ages (Turnhout 1999).
    • Bueren, Truus van, en W.C.M. Wüstefeld, Leven na de dood. Gedenken in de late Middeleeuwen (Turnhout 1999).
    • Bueren, Truus van, en Fenna Visser, 'De website Memoria in beeld. Een hulpmiddel bij het onderzoek van memorievoorstellingen', Madoc. Tijdschrift over de Middeleeuwen 23 (2009), 102-108 (met als casus het drieluik met het Laatste Oordeel en de familie Van Noordwijk).
    • Bueren, Truus van, Kim Ragetli en Arnoud-Jan Bijsterveld, 'Researching Medieval Memoria: Prospects and Possibilities. With an Introduction to Medieval Memoria Online (MeMO)', Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 14 (2011) 183-234.
    • Bueren, Truus van, 'Het belang van tellen. Kwantitatief onderzoek naar middeleeuwse kunstwerken' Article, themanummer: De Middeleeuwen 5 (2012, november ) 14-18.
    • Bueren, Truus van, en S.A.C. Dudok van Heel, 'De Geboorte van Christus door Jacob Corneliszn. De identificatie van de geportretteerde personen' Oud Holland 125 (2012) 169-179 (met onder andere het belang van de plaatsing van de portretten).
    • Cohn, Samuel K., The Cult of Remembrance and the Black Death. Six Renaissance Cities in Central Italy (Baltimore and London 1992).
    • Damen, Mario, 'Vorstelijke vensters. Glasraamschenkingen als instrument van devotie, memorie en representatie (1419-1519)', Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 8 (2005) 140-200.
    • Eck, Xander van, Christiane E. Coebergh-Surie en Andrea C. Gasten, 'The stained-glass windows in the Sint Janskerk at Gouda. The works of Dirck and Wouter Crabeth' in: Corpus vitrearum Medii Aevi. Netherlands, volume 2 (Amsterdam 2002) 79-85.
    • Geuenich, Dieter and Otto Gerhard Oexle (red.), Memoria in der Gesellschaft des Mittelalters. Veröffentlichungen des Max-Planck-Instituts für Geschichte 111 (Göttingen 1994).
    • Groot (red.), Wim de, The Seventh Window. The King's Window donated by Philip II and Mary Tudor to Sint Janskerk in Gouda (1557) (Hilversum 2005).
    • Oexle, Otto Gerhard, 'Die Gegenwart der Toten' in: Herman Braet and Werner Verbeke (red.), Death in the Middle Ages. Mediaevalia Lovaniensia series 1 studia 9 (Leuven 1983) 19-77.
    • Oexle, Otto Gerhard (red.), Memoria als Kultur. Veröffentlichungen des Max-Planck-Instituts für Geschichte 121 (Göttingen 1995).
    • Oexle, Otto Gerhard, 'Mittelalterforschung in der sich ständig wandelnden Moderne' in: Hans-Werner Goetz and Jörg Jarnut (red.), Mediävistik im 21. Jahrhundert. Stand und Perspektiven der internationalen und interdisziplinären Mittelalterforschung (München 2003) 227-253.
    • Schleif, Corine, Donatio et memoria. Stifter. Stiftungen und Motivationen an Beispielen aus der Lorenzkirche in Nürnberg (München 1990).
    • Schleif, Corine, 'Forgotten Roles of Women as Donors: Sister Katerina Lemmel's Negotiated Exchanges in the Care for the Here and the Hereafter' in: Truus van Bueren en Andrea van Leerdam (red.), Care for the Here and the Hereafter. Memoria, Art and Ritual in the Middle Ages (Turnhout 2005) 137-154.
    • Schleif, Corine, 'Men on the Right - Women on the Left: (A)symmetrical Spaces and Gendered Places' in: Virginia Chieffo Raguin and Sarah Stanbury (red.), Women's Space. Patronage, Place, and Gender in the Medieval Church (Albany NY 2005) 207-249.
    • Schleif, Corine, en Volker Schier, Katerina's Windows. Donation and Devotion, Art and Music, as Heard and Seen Through the Writings of a Birgittine Nun (University Park PA 2009).
    • Velden, Hugo van der, 'Diptych Altarpieces and the Principle of Dextrality', John Hand, Ron Spronk (red.), Essays in Context: Unfolding the Netherlandish Diptych (Cambridge and New Haven 2006), 124-155.
    • Weijert, Rolf de, Kim Ragetli, Arnoud-Jan Bijsterveld en Jeannette van Arenthals (eds), Living Memoria. Studies in Medieval and Early Modern Memorial Culture in Honour of Truus van Bueren, Middeleeuwse Studies en Bronnen, CXXXVII (Hilversum 2011).

    Websites

    Zie hoofdstuk zeven voor een algemeen overzicht van de literatuur en de websites die in deze inleidende teksten worden genoemd.


    Terug naar boven
Medieval Memoria Online v1.1 — © 2013 Utrecht University