Medieval Memoria Online

2. Doel en beoogde gebruikers


Samenvatting

De Medieval Memoria Online database is opgezet om twee redenen. De eerste heeft te maken met het interdisciplinaire karakter van het onderzoek van de dodengedachtenis. De memoria is bij uitstek een onderzoeksgebied waarbinnen historici, kunst- en literatuurhistorici, en theologen actief zijn. MeMO is bedoeld om een bijdrage te leveren aan de onderlinge samenwerking tussen onderzoekers van deze disciplines. De database biedt daarom uitgebreide beschrijvingen van zowel objecten als tekstdragers en teksten die voor het memoria-onderzoek van groot belang zijn, maar die traditioneel tot het terrein van afzonderlijke vakgebieden behoren.

De tweede reden is de wijde verspreiding van het materiaal. Het bevindt zich in bewarende instellingen en privé-collecties in Europa en daarbuiten. Wetenschappers hebben daarom vaak geen weet van de grote aantallen bronnen die nog bestaan. Breed kwantitatief en kwalitatief vergelijkend onderzoek wordt hierdoor bemoeilijkt, reden waarom veel onderzoekers zich tot op heden noodgedwongen beperken tot casus-onderzoek. Er is dan ook een grote behoefte aan zo uitputtend mogelijke inventarisaties.

MeMO biedt databases met inventarisaties en beschrijvingen van vier bronnentypen (uit Nederland tot 1580). Het gaat om:

  • Grafmonumenten en grafzerken
  • Gebeeldhouwde en geschilderde memorievoorstellingen
  • Memorieregisters, zoals schenkingsregisters en kalenders met te verrichten memoriediensten
  • Verhalende bronnen: kronieken die informatie over schenkings- en memoriepraktijken bevatten en levensbeschrijvingen van kloosterlingen

Naast de twee databases voor enerzijds de objecten en anderzijds de tekstdragers en teksten is er een afzonderlijke database met beschrijvingen van de instellingen waaruit het materiaal afkomstig is. Juist kennis van de context kan bijdragen aan het achterhalen van het functioneren van de objecten en teksten.

De objecten, tekstdragers en teksten worden uitgebreid beschreven. Omdat het om bronnen gaat die een gebruiksfunctie hadden, wordt onder andere aandacht besteed aan veranderingen in deze tekstdragers, teksten en objecten. Deze kunnen namelijk informatie verschaffen over het functioneren van de bronnen en eventueel over gewijzigde functies. Keer op keer blijkt uit onderzoek dat memoria-bronnen kritisch tegen het licht gehouden moeten worden.

Het geïnventariseerde en beschreven materiaal behoort tot het culturele erfgoed van Nederland. De beoogde doelgroepen van de MeMO-database zijn daarom niet alleen onderzoekers van de memoria, maar ook lokaal historici, genealogen en heraldici, conservatoren van musea, docenten, scholieren en studenten, en in het algemeen het in geschiedenis, kunst en cultuur geïnteresseerde publiek.

De database is zo opgezet dat in een later stadium ook beschrijvingen van andere bronnentypen en beschrijvingen voor andere gebieden en perioden opgenomen kunnen worden.


2.1 Het wetenschappelijke belang van deze database

Bij het bestuderen van publicaties die zijn geschreven vanuit het perspectief van de memoria vallen twee dingen op. Op de eerste plaats blijkt dat wetenschappers met verschillende achtergronden zich bezighouden met dit onderzoeksgebied: historici, literatuurhistorici, muziekhistorici, kunsthistorici, en theologen die de kerkgeschiedenis en de liturgie onderzoeken. Dit is niet verwonderlijk want de memoria raakte aan allerlei aspecten van cultuur en samenleving.

Veel publicaties getuigen dan ook van samenwerking tussen wetenschappers uit verschillende onderzoeksgebieden. Maar publicaties tonen eveneens dat onderzoekers vaak kiezen voor bronnen die dicht staan bij de discipline waarin zij zijn opgeleid, ook wanneer het in verband met hun onderzoeksvragen beter zou zijn een combinatie van bronnen te gebruiken.

Op de tweede plaats valt op dat (tot voor kort) veel onderzoekers zich voornamelijk hebben gericht op casussen en kleinschalige projecten, en zich nauwelijks hebben beziggehouden met systematische vergelijkende studies, zowel diachroon als synchroon. Daardoor wordt soms de vraag naar de representativiteit van de casussen vermeden.

Dit alles heeft voor een belangrijk deel te maken met een praktisch probleem. De verschillende soorten onderzoeksmateriaal en de grote(re) aantallen objecten en teksten die men nodig heeft voor kwantitatief en kwalitatief vergelijkend onderzoek, zijn wijd verspreid over archieven, bibliotheken en musea. Ze zijn daardoor vaak niet eens bekend aan onderzoekers.

Dat de bronnen verspreid zijn geraakt heeft een aantal oorzaken. De Reformatie is er een van. Een deel van de tekstbronnen en kunstwerken is in het bezit van de steden gekomen toen de kloosters rond 1580 in het grootste deel van het huidige Nederland werden opgeheven. Een ander deel is verdwenen, bijvoorbeeld omdat het werd meegenomen door kloosterlingen die het gebied verlieten.

Maar ook in latere perioden zijn bronnen verloren gegaan of uit hun oorspronkelijke context gehaald. Zo bevindt zich in Utrecht momenteel een aantal grafzerken in een andere kerk dan de oorspronkelijke, terwijl de kerk van oorsprong nog wel bestaat: acht zerken in de Domkerk zijn uit de Buurkerk afkomstig en drie zerken zijn uit de Domkerk overgebracht naar de Janskerk. Dit soort verplaatsingen zijn veelal het gevolg van restauratieprojecten die plaatsvonden in de twintigste eeuw, zie bijvoorbeeld MeMO memorial objects ID 2869 en ID 2494. We kunnen dus van de middeleeuwse instellingen waarin de objecten zich nu bevinden niet zomaar aannemen dat het de instellingen van oorsprong zijn.

De verspreiding van de bronnen is dus problematisch omdat dit het vinden van het benodigde materiaal bemoeilijkt, maar ook omdat onderzoekers in veel gevallen moeten weten uit welke instelling de teksten en objecten afkomstig zijn om iets te kunnen zeggen over hun gebruik.


  
Links: Afb. 1. Zie MeMO memorial object ID 3297
Rechts: Afb. 2. Zie MeMO memorial object ID 787

Terug naar boven

2.2 De vier bronnentypen





Boven: Afb. 3. Zie MeMO text carrier ID 430
Midden: Afb. 4. Zie MeMO text carrier ID 279
Onder: Afb. 5. Zie MeMO memorial object ID 2324

In het MeMO-project is uit praktische overwegingen begonnen met het beschrijven van bronnen waarvan al inventarisaties beschikbaar waren; het gaat daarbij om bronnen uit het gebied dat nu Nederland is. Van de in de database opgenomen bronnen is het dus zeker of waarschijnlijk dat ze in middeleeuwse instellingen in dit gebied functioneerden. De periode waarvoor verzameld en beschreven is, beslaat de middeleeuwen en de vroeg-moderne tijd tot aan de Reformatie die rond 1580 in het grootste deel van Nederland plaatsvond. Alleen Noord-Brabant, Limburg, delen van Gelderland en Zeeuws-Vlaanderen bleven katholiek (ook al wisselden de katholieke en wat toen de gereformeerde religie heette elkaar tot 1648 met tussenpozen af). Voor deze gebieden is eveneens 1580 als einddatum aangehouden in de MeMO-database. De meeste objecten en teksten stammen uit de vijftiende en zestiende eeuw.

In de MeMO-database en in publicaties van onder andere de bij MeMO betrokken onderzoekers worden memoriabronnen regelmatig onderscheiden in objecten en tekstdragers. Dit is een formeel onderscheid, want het moge duidelijk zijn dat ook tekstdragers, dat wil zeggen handschriften en gedrukte boeken, objecten oftewel materiële bronnen zijn. Daarnaast is het zo dat ook op objecten teksten aanwezig kunnen zijn. Dit geldt te meer bij objecten die een functie hadden in de dodengedachtenis. Voor alle bronnentypen is daarom het totale object het uitgangspunt geweest voor de beschrijvingen; alle relevante aspecten komen, voor zover deze bekend zijn, aan bod.

De opgenomen bronnentypen zijn:

1. Grafmonumenten en grafzerken
Voor deze objecten bestaan verschillende namen die verwijzen naar een specifieke vorm, maar ze waren in het algemeen bedoeld om een grafplaats aan te duiden en een of meer personen te gedenken die eronder begraven lagen. Bij de grafzerken kan het gaan om grote stenen platen, maar ook om veel kleinere zerken (afb. 1). Grafmonumenten konden los in de ruimte staan, maar ook tegen de muur of in een nis. Ook de cenotafen die bedoeld waren om mensen te gedenken die elders werden begraven, zijn in deze database opgenomen. (Voor meer informatie zie hoofdstuk vier.)

Websites

2. Memorievoorstellingen
De MeMO-database bevat een inventarisatie van geschilderde en gebeeldhouwde memorievoorstellingen die veelal een plaats kregen in kapellen, kerken, kloosters en op de aan die instellingen verbonden begraafplaatsen. Ze bestaan meestal uit een nieuwtestamentische of heiligenvoorstelling met daarbij de gebedsportretten van de te gedenken personen, vaak met hun patroonheiligen, en - indien van toepassing - hun wapenschilden, met begeleidende teksten met hun namen en datum van overlijden (afb. 2). (Voor meer informatie zie hoofdstuk vier.) Andere Nederlandse termen voor memorievoorstellingen zijn memorietafels (voor schilderingen op paneel) en memoriestukken (voor schilderingen op paneel en gebeeldhouwde memorietafels).

3. Memorieregisters
'Memorieregisters' is een verzamelnaam voor bronnen die een liturgische en/of een administratieve functie hadden binnen de dodengedachtenis (afb. 3). Zo werden bijvoorbeeld kalenders met te gedenken personen in principe gebruikt in de liturgie, terwijl schenkingslijsten waarin de schenkingen en stichtingen van de weldoeners werden genoteerd doorgaans een meer administratieve functie hadden.

Een indeling van de memorieregisters in documenten met sterk onderscheiden functies blijkt in de onderzoekspraktijk problemen te geven. Zo zijn er kalenders waarin behalve de namen van de te gedenken personen ook hun schenkingen en stichtingen worden vermeld. Ook in grafregisters zijn soms de weldaden van de begraven personen aangetekend. Kortom, memorieregisters werden opgezet en aangepast zoals het de desbetreffende instelling het beste uitkwam. (Voor meer informatie zie hoofdstuk vijf.)

Voor de MeMO-database zijn de memorieregisters daarom ingedeeld naar inhoud en zijn er mogelijkheden voor de beschrijving van variaties in de inhoud ingebouwd. Het gaat om de volgende indeling:

  • grafregisters:
    • lijsten van graven met de namen van de begraven personen
    • lijsten van de eigenaren van graven
  • registers met overzichten van memoriediensten
  • registers met schenkingen en stichtingen
  • pitantieregisters
  • lijsten met namen die niet tot de voorgaande groepen behoren

4. Verhalende bronnen die de dodengedachtenis betreffen
Van de talrijke soorten 'verhalende bronnen' zijn in de MeMO-database twee groepen opgenomen:

  • Historische bronnen die informatie geven over schenkings- en memoria-praktijken, zoals kronieken van geestelijke en kerkelijke instellingen
  • Biografische bronnen die een functie hadden in memoriepraktijken, zoals de gesta waarin het leven en de belangrijke daden van abten en andere kerkelijke functionarissen is beschreven (afb. 4)

Net als bij memorieregisters is ook hier het duidelijke onderscheid tussen kronieken en biografieën dat het voor onderzoekers zo makkelijk zou maken, vaak niet aanwezig. Ook al zijn er overeenkomsten in opzet en inhoud aan te treffen, men koos uiteindelijk wat voor de eigen instelling het handigst was. (Voor meer informatie zie Link naar hoofdstuk vijf.)

De instellingen waarin de objecten en tekstdragers functioneerden
Om de memoriabronnen in hun context te kunnen plaatsen en de verschillende manieren van gebruik en functie te kunnen duiden is informatie nodig over de instellingen (parochiekerken, kloosters, broederschappen, etc.) waaruit de bronnen afkomstig zijn (afb. 5). Ook de ruimte waar de objecten en tekstdragers zich bevonden en waar ze werden gebruikt is belangrijk. Daarom bevat de MeMO-database een afzonderlijk onderdeel met basisinformatie over de oorspronkelijke instellingen. (Voor meer informatie zie hoofdstuk zes.)

(Nog) niet opgenomen andere bronnen voor het memoria-onderzoek
Er zijn, behalve de bronnen die in de MeMO-database zijn opgenomen, allerlei andere soorten objecten en tekstdragers geweest die een functie vervulden in de dodengedachtenis. Deze bronnen zijn niet opgenomen, omdat ze (nog) niet geïnventariseerd zijn voor heel Nederland. Tot deze bronnen behoren:

  • liturgische objecten en liturgische gewaden waarop de schenkers worden herdacht via een memorievoorstelling of een wapenschild
  • stichtingsakten voor kloosters, kapellen en altaren (afb. 6)
  • testamenten
  • getijdenboeken en gebedenboeken met de namen van achtereenvolgende eigenaars en hun overleden familieleden
  • getijden- en gebedenboeken en andere liturgische manuscripten waarin meer of minder expliciet de afschrijver of auteur als te herdenken persoon wordt vermeld

De database is zo opgezet dat in een later stadium ook beschrijvingen van andere bronnen kunnen worden opgenomen, evenals inventarisaties en beschrijvingen van bronnen uit andere gebieden en andere perioden. Voor bijvoorbeeld de - katholiek gebleven - delen van Nederland en voor de Zuidelijke Nederlanden in het algemeen is een inventarisatie van de bronnen van na 1580 zeer interessant (afb. 7).

Websites met inventarisaties van niet in de MeMO-database opgenomen schriftelijke bronnen

  
Links: Afb. 6. Zie Regionaal Archief Leiden, Kloosterarchieven 860
Rechts: Afb. 7. Zie Museum Catharijneconvent, Utrecht St CC s30

Terug naar boven

2.3 Het beschrijven van de memoriabronnen

De noodzaak van een eigen beschrijvingsstandaard
De laatste decennia zijn ten behoeve van het maken van beschrijvingen van diverse bronnensoorten (schilderijen, geschreven bronnen) beschrijvingsstandaarden ontwikkeld die inmiddels internationaal als vaste standaard zijn erkend. In deze overzichten (zoals CDWA voor kunstwerken en EAD voor archiefmateriaal) is vastgelegd wat er beschreven moet worden en hoe dat moet gebeuren.

Standaarden hebben duidelijke voordelen: het uitwisselen van gegevens tussen onderzoekers wordt hierdoor vergemakkelijkt en er kunnen minder snel misverstanden ontstaan over inhoud en terminologie.

De bestaande beschrijvingsstandaarden bleken echter niet geschikt voor de MeMO-database, omdat ze voornamelijk (basis)informatie vastleggen die voor alle soorten onderzoek belangrijk is. Voor een database die is opgezet ten behoeve van een specifiek onderzoeksterrein en waaraan specifieke onderzoeksvragen zijn verbonden, zoals dat van de memoria, is dit niet voldoende.

Daarom is door het MeMO-projectteam samen met een internationale groep van experts een speciale beschrijvingsstandaard ontwikkeld, de Medieval Memoria Online Description Standard (MeMO DS). Vanwege het complexe bronnenmateriaal is MeMO DS onderverdeeld in twee verschillende sets van beschrijvende elementen, een voor de objecten en een voor de teksten. Ze bevatten een overzicht van de elementen en de bijbehorende definities. Tevens is er een standaard ontwikkeld voor de beschrijving van de middeleeuwse instellingen waaruit de bronnen afkomstig zijn.

Op basis van MeMO DS is vervolgens een data-model gemaakt dat gebruikt is voor de ontwikkeling van de MeMO-database.

Links

De MeMO-database
De MeMO-database bevat een groot aantal beschrijvingsvelden waarin op verschillende manieren kan worden gezocht. Naast algemene informatie over type, verschijningsvorm, fysieke staat en wat er zoal op de objecten of in de tekstdragers is aan te treffen, is een aantal velden opgenomen dat kan leiden tot inzicht in de functies van de objecten en teksten.

In het onderzoek van objecten met een memoriefunctie is het belangrijk een onderscheid te maken tussen de herdachte en de opdrachtgevende partij, omdat deze niet per se dezelfde zijn. Daarom zijn voor deze twee groepen aparte beschrijvingsvelden gereserveerd. Daarnaast is in de database voor de objecten een aantal beschrijvingsvelden opgenomen voor persoonsbeschrijvingen. Deze bieden informatie over bijvoorbeeld de maatschappelijke status en de functies van de opdrachtgevers en herdachte personen, maar ook over personen die zijdelings worden genoemd, zoals een echtgenoot of echtgenote of de landsheer in wiens dienst de herdachte persoon was. Dit alles kan meer inzicht geven in hoe men zich profileerde en in de intenties van de betrokken partijen. Zie ook 1.2 over identiteitsvorming.

Wat betreft de tekstdragers heeft het wetenschappelijke onderzoek van de laatste twintig jaar aangetoond dat het totaal aan teksten in een manuscript inzicht kan verschaffen in het functioneren van de afzonderlijke teksten. Daarom zijn inhoudsopgaven van de tekstdragers opgenomen, zodat in één oogopslag duidelijk is in welke inhoudelijke context bepaalde teksten zijn geplaatst (zie bijvoorbeeld MeMO text carrier ID 184). Daarbij wordt ook aandacht besteed aan codicologische aspecten, zoals de manier waarop het handschrift tot stand is gekomen: is het in een keer opgezet als handschrift met verschillende soorten teksten, of is een aantal reeds bestaande manuscripten bijeengebonden tot een handschrift?


Terug naar boven

2.4 De noodzaak van bronnenkritiek: drie casussen

Problemen bij het onderzoek van objecten, tekstdragers en teksten
Bronnenkritiek, het beoordelen van objecten, tekstdragers en teksten op hun waarde en betrouwbaarheid voor een onderzoek, is om twee redenen van groot belang:

  • De bronnen fungeerden binnen de memoria als gebruiksvoorwerpen en werden dan ook aangepast indien men dat nuttig vond.
  • Zoals bij alle middeleeuwse bronnen kunnen ook de tand des tijds en menselijk ingrijpen hun verschijningsvorm en waarde als historisch document hebben veranderd.

Bij memorievoorstellingen zijn foto's vaak niet het aangewezen middel om veranderingen in de voorstelling te kunnen achterhalen, net zoals van inscripties op grafzerken niet altijd via foto's is vast te stellen of ze bij de vervaardiging van de zerk of veel later zijn aangebracht. Een ander probleem is dat van veel objecten de polychromie is verdwenen: grafmonumenten, grafzerken en gebeeldhouwde memorievoorstellingen waren bontgekleurd, iets wat ook gold voor de lijsten van geschilderde memorievoorstellingen. Dit geeft de objecten niet alleen een ander aanzien, maar ook kunnen teksten, wapenschilden en belangrijke symbolen zijn verdwenen. Ook beschadigingen en het verlies van (vaak belangrijke) onderdelen van de objecten kunnen het onderzoek in de weg staan.

Bij tekstdragers is in sommige gevallen gemakkelijk te constateren dat er pagina's en hele delen zijn verdwenen. In andere gevallen is uitgebreid codicologisch onderzoek nodig om ingrepen te achterhalen. Indien een tekstdrager meerdere teksten bevat, is het belangrijk te weten hoe deze handschriften tot stand zijn gekomen, omdat dat bij kan dragen aan onze kennis over het functioneren van de afzonderlijke teksten. Tekstdragers met meerdere teksten zijn grofweg in te delen in twee varianten, met een breed scala aan tussenvarianten (zie Gumbert, 'Codicologische eenheden'). Voor het MeMO-project is ervoor gekozen de tweedeling aan te houden en aanvullende informatie te verschaffen die een nadere precisering van de aard van het handschrift mogelijk maakt. In de MeMO-database worden daarom onderscheiden:

  • verzamelhandschriften (Eng. miscellanies): handschriften met meerdere teksten die qua inhoud of thematiek een samenhang vertonen en/of uit dezelfde instelling afkomstig zijn. In een verzamelhandschrift kunnen dus allemaal teksten zijn opgenomen die de dodengedachtenis betreffen. Deze handschriften kunnen in één keer zijn afgeschreven ten behoeve van de instelling waar ze werden gebruikt. De in de tekstdrager aanwezige teksten, zoals een graflijst of een schenkingsregister, kunnen vervolgens over een langere periode zijn bijgehouden, maar er kunnen ook nieuwe teksten in het handschrift zijn toegevoegd.
  • convoluten (Eng. composites): handschriften met teksten, die op een gegeven moment zijn samengebonden, zonder dat ze qua thematiek op elkaar aan hoeven te sluiten, of zonder dat ze afkomstig zijn uit een en dezelfde instelling. De teksten uit een dergelijk handschrift werden dikwijls gebundeld op basis van het formaat van de afzonderlijke delen (teksten). Er hoeft dus geen samenhang te zijn tussen de teksten in een convoluut; er kunnen bijvoorbeeld naast teksten die de memoria betreffen ook profane teksten in dezelfde band zijn opgenomen. In veel gevallen zijn dit soort bundelingen gemaakt in opdracht van een latere eigenaar.

In het volgende worden drie casussen beschreven, ieder met een eigen problematiek.

Het kapittelboek van de abdij van Berne
Uit de abdij van Berne is een verzamelhandschrift bewaard dat bekend staat als kapittelboek. Een kapittelboek bevat teksten die gebruikt werden in de liturgie van het kapittel, de dagelijkse bijeenkomst van de kloosterlingen in de kapittelzaal (zie Text carriers ID 17). In het Bernse kapittelboek bevinden zich twee memorieregisters: een naamlijst (opvolgingslijst) van abten en een kalender met te verrichten memoriediensten die tevens een lijst van schenkingen is.

Er zijn ook uit andere norbertijnenkloosters kapittelboeken bekend. Een aantal van deze handschriften bevat evenals dat uit Berne een kalender. Ongewoon was de aanwezigheid van een kapittelboek in de norbertijnenabdij dus niet, maar het moment van vervaardiging en de totstandkoming van het handschrift uit Berne roepen allerlei vragen op.

Het handschrift is in 1574 in één keer afgeschreven door Arnoldus van Vessem (1549-1608). Mogelijk was het oude kapittelboek door het intensieve gebruik aan vernieuwing toe, maar waarschijnlijk is er meer aan de hand geweest. Het kapittelboek werd namelijk vervaardigd toen de kloosterlingen 'in ballingschap verkeerden'. Ze waren in 1572 uit hun abdij verdreven en de groep was verspreid over verschillende kloosters ondergebracht. Pas in 1623 kregen de kloosterlingen van Berne weer een eigen onderkomen, in Den Bosch.

Het kapittelboek heeft dus lange tijd geen functie gehad in de liturgie van de kloostergemeenschap. Het afschrijven van het handschrift kan echter - juist in deze tijd - wel andere functies hebben gehad. Zo kan het een uitdrukking zijn geweest van vertrouwen in het toekomstig herstel van de gemeenschap van de levenden en doden in hun eigen abdij. De aantekeningen van de schenkingen kunnen eveneens hebben gefungeerd als overzicht van (een deel van) hun rechtmatige bezit.

Behalve de vragen naar de functies en betekenis van het handschrift zijn er de vragen naar de totstandkoming ervan. Is het een integraal afschrift van het oude kapittelboek van de abdij en stonden daar dezelfde teksten in als in het verzamelhandschrift van 1574 of heeft Arnoldus van Vessem het samengesteld uit verschillende documenten?

De abtenlijst geeft geen aanwijzingen op dit punt. Het maken van een opvolgingslijst van oversten van kloosters en conventen was gebruikelijk en het is dan ook goed mogelijk dat Van Vessem de lijst in 1574 in één keer heeft afgeschreven. Hij kan hem echter tegelijkertijd hebben gecorrigeerd en aangevuld. Het enige wat we weten is dat hij na 1574 regelmatig is aangevuld (afb. 8).

Voor het opstellen van de kalender is vastgesteld dat Van Vessem gebruik maakte van een of meer oudere, niet meer overgeleverde registers. Dit blijkt uit de vermeldingen van norbertijner kloosterzusters uit de twaalfde eeuw. Hun namen worden genoemd zonder enige nadere aanduiding van het klooster waarin zij waren ingetreden. Dit wijst erop dat ze uit de abdij van Berne afkomstig waren. De abdij, die in 1134 werd gesticht, was in de beginfase nog een dubbelklooster (voor mannen en vrouwen). Of het register van 1574 een volledig overzicht geeft van de overleden kloosterlingen uit de beginperiode, valt niet te zeggen.

Zonder uitputtend onderzoek blijven er veel vragen open over de manier waarop Arnoldus van Vessem het handschrift van 1574 heeft vervaardigd. Mogelijk blijken deze vragen zelfs helemaal niet te beantwoorden.

Het monument van Joost Sasbout en Catharina van der Meer
Aanpassingen aan grafmonumenten kunnen net als het oorspronkelijke monument met speciale bedoelingen zijn gemaakt. Het is echter wel belangrijk origineel en aanpassing te onderscheiden om uitspraken te kunnen doen over de intenties die men had met het oorspronkelijke en met het aangepaste monument.

In de Eusebiuskerk in Arnhem bevindt zich het wandmonument van Joost Sasbout (1487-1546) en zijn vrouw Catharina van der Meer († 1560, afb. 9a en 9b). Dit monument bestaat uit drie delen en is hoogstwaarschijnlijk vervaardigd door de kunstenaar Colijn de Nole. Dit is vastgesteld op basis van de stilistische kenmerken en de steensoort die is gebruikt. Mogelijk zijn een of allebei de herdachte personen zelf de opdrachtgever geweest.

Het onvolledig bewaard gebleven monument bestond uit drie delen. Van het middendeel is het reliëf met (waarschijnlijk) de Geboorte van Christus inmiddels verdwenen, evenals de luiken waarvan de scharnieren nog wel aanwezig zijn. In het bovendeel bevinden zich twee gebeeldhouwde engeltjes met een boek; dit verwijst naar het vleesgeworden Woord. Het onderste deel bestaat uit twee tekstdelen en een afbeelding van twee liggende figuren, een in ontbinding verkerend lijk en een pas gestorven vrouw.

In de literatuur is sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw een discussie gaande over de wijze waarop het monument tot stand is gekomen. Sommige auteurs concluderen dat het middendeel met de tekst in Gotische letters het oorspronkelijke deel is. Het onderste deel met de transi en de inscriptie in Romeinse letters en het bovenste deel zouden van later datum zijn. Als argumenten worden de niet geheel aansluitende afmetingen van de onderdelen van het monument genoemd evenals het contrast tussen de traditionele tekst op het middendeel (naam en jaar van overlijden) en de humanistische teksten op de andere delen.

Uit recent vergelijkend onderzoek van grafzerken en grafmonumenten is echter gebleken dat het monument van Joost Sasbout en zijn vrouw wel degelijk in één keer gemaakt kan zijn. Er werden verschillende aspecten in dit onderzoek betrokken. Zo bleek dat in de beeldhouwwerken die op stilistische gronden zijn toegeschreven aan Colijn de Nole onderdelen qua afmeting vaker niet helemaal aansluiten. Tevens is duidelijk dat combinaties van traditionele en humanistische teksten en lettertypen tegen het midden van de zestiende eeuw eveneens niet ongewoon waren (zie onder andere MeMO memorial object ID 233, circa 1535, en ID 1385, waarschijnlijk tussen 1524 en 1537).

Door het ontbreken van de voorstelling in het middendeel en de luiken waarop zich mogelijk ook voorstellingen bevonden, zijn de door de opdrachtgever(s) bedoelde functies van dit monument nauwelijks nog vast te stellen. Vanzelfsprekend diende het om de vermelde personen te gedenken. Joost Sasbout, een hoge functionaris in Gelre, en zijn vrouw kunnen echter ook andere bedoelingen met dit complexe monument hebben gehad en bijvoorbeeld een politiek-maatschappelijke boodschap hebben willen overdragen aan beschouwers.

Nieuwe vondsten door technisch onderzoek van schilderijen
De laatste jaren is door technisch onderzoek en door restauraties van geschilderde memorietafels een flink aantal, soms eeuwenoude ingrepen in de voorstelling aan het licht gekomen. Als casus wordt hier een kunstwerk besproken waarvan de ingrepen zelfs met het blote oog te zien zijn, dat wil zeggen voor wie het kunstwerk zelf kan gaan onderzoeken. Want ook goede foto's leveren in veel gevallen niet altijd voldoende informatie op.

In het Kunsthistorisches Museum in Wenen bevinden zich twee luiken met een aantal nog niet geïdentificeerde gebedsportretten. Waarschijnlijk behoren ze bij een schilderij in Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam (afb. 10a en 10b). Gezien de stijl kunnen zowel het schilderij als de luiken met grote zekerheid worden toegeschreven aan de Haarlemse schilder Maarten van Heemskerck. Dat de wapenschilden op de luiken zijn overschilderd en vervangen door andere wapenschilden is uitstekend te zien met het blote oog en zelfs op een goede foto. De andere ingreep kon worden ontdekt door gebruik te maken van het buitenlicht dat langs de zijkant van de luiken op het verfoppervlak viel. Door dit strijklicht worden namelijk onregelmatigheden in de verflagen zichtbaar.

Voor wie geen gebruik maakt van deze specifieke lichtval lijkt het alsof er alleen volwassen personen op de luiken staan, twee mannen op het linkerluik en vier vrouwen op het rechterluik. Het strijklicht toonde echter dat op beide luiken ook kinderen staan, een jongetje op het linkerluik en een meisje op het rechterluik. Wat hier aan de hand is, is tot nu toe een raadsel gebleven. Het is duidelijk dat de kunstenaar gelijkende portretten heeft geschilderd; ook de alleen bij strijklicht zichtbare koppen zijn echte portretten. In de portretten van de volwassenen lijken geen veranderingen te zijn aangebracht, maar technisch onderzoek zou uitsluitsel moeten geven op dit punt. Eveneens zou nader onderzocht moeten worden of de veranderingen in de wapenschilden en het overschilderen van de portretten van de kinderen gelijktijdig hebben plaatsgevonden. Pas dan kan verder worden gezocht naar antwoorden op de vragen naar de identiteit van de afgebeelde personen en het waarom en wanneer van de veranderingen.

Dit geval staat niet op zichzelf. Portretten, wapenschilden en teksten blijken te zijn veranderd, overschilderd of weggehaald, of ze zijn in een al voltooide voorstelling erbij gezet (zie bijvoorbeeld MeMO memorial object ID 728, ID 748, ID 749 end ID 782). Soms is duidelijk dat de ingreep plaatsvond toen het schilderij nog als memorietafel fungeerde. Waarom een nieuwe memorietafel laten maken voor iemand als zijn portret juist goed in een al voltooide memorietafel zou passen, bij de portretten van zijn medebroeders (MeMO memorial object ID 563). Dat toont immers de gemeenschap waartoe de overledene behoorde, zo kan men geredeneerd hebben.

Het belang van openbaarheid van onderzoeksgegevens
Een gedegen bronnenkritiek is de basis van alle (kunst)historisch onderzoek. Daarom maken steeds meer musea, archieven en andere erfgoedinstellingen de resultaten van technisch en codicologisch onderzoek en van conservering en restauraties openbaar, hopelijk in de toekomst ook steeds vaker op het internet. Hierdoor kunnen valkuilen door onderzoekers vermeden worden en kunnen bijvoorbeeld onderzoekers van de middeleeuwse memoria met meer succes de functies van de teksten en objecten in de dodengedachtenis achterhalen.


Terug naar boven

2.5 MeMO en het ontsluiten van cultureel erfgoed



Afb. 10a en 10b. Zie MeMO memorial object ID 678

De objecten en teksten die worden beschreven in de database behoren tot het culturele erfgoed van Nederland. De doelgroepen van het MeMO-project zijn onderzoekers van de memoria, maar ook lokaal historici, familiehistorici en heraldici, conservatoren van musea, docenten, scholieren en studenten, en in het algemeen het in geschiedenis, kunst en cultuur geïnteresseerde publiek. Mogelijk levert MeMO een bijdrage aan een grotere aandacht en respect voor het middeleeuwse christelijke cultuurgoed en het leven en denken van toen. Het was een andere wereld dan die van nu, maar wel een interessante wereld, net zoals andere culturen in de huidige tijd interessant en de moeite waard zijn.

Meer zorg voor het voortbestaan en het bekend maken van het oude cultuurgoed aan het publiek is overigens zeer gewenst. Er worden bij restauraties van kerken nog altijd nieuwe vondsten gedaan. Soms worden ze in de gerestaureerde kerken opgesteld, maar ook verdwijnen grafzerken zonder dat ze worden gefotografeerd onder kamerbreed tapijt of worden ze afgevoerd omdat er vloerverwarming wordt aangelegd. Verwijderde objecten worden lang niet altijd ondergebracht in musea vanwege ruimtegebrek en het 'ontzamelen' ten gevolge daarvan. Grafzerken worden soms vermalen en hergebruikt bij de aanleg van wegen. Een goede documentatie is dan ook het minste wat gedaan kan worden.

Middeleeuwse kerken
In de zomermaanden worden in veel steden de middeleeuwse kerken opengesteld voor het publiek. Vaak zijn er gidsen aanwezig die informatie geven over wat er in hun kerk te zien is, ook op plekken waar je zonder hun rondleiding geen toegang krijgt.

De MeMO-database kan helpen bij het voorbereiden van een bezoek aan kerken. Er zijn vaak veel meer overblijfselen van de memoriacultuur bewaard dan je op het eerste gezicht zou denken, vooral grafzerken en grafmonumenten, en (resten van) gebeeldhouwde memorievoorstellingen. Ze bevinden zich in vrijwel alle delen van Nederland, zie bijvoorbeeld in de MeMO-database:

  • de Martinikerk in Franeker, met meer dan 60 grafzerken waarvan een flink aantal nog in goede staat verkeert (MeMO institution ID 44)
  • de St. Jan in 's-Hertogenbosch, met 160 grafzerken en enkele goed bewaarde muurschilderingen (MeMO institution ID 387)
  • de St. Servaasbasiliek in Maastricht, met meer dan 50 grafzerken en memorievoorstellingen (MeMO institution ID 362)
  • de Grote of St. Maartenskerk in Zaltbommel, met meer dan 70 grafzerken en enkele muur- en plafondschilderingen (MeMO institution ID 29)
  • de Walburgiskerk in Zutphen, met circa 12 grafzerken en evenveel memorievoorstellingen, zowel beeldhouwwerk als muurschilderingen (MeMO institution ID 27)
  • de St. Bavokerk in Aardenburg (Zeeland) met meer dan 20 grafzerken en enkele beschilderde uit baksteen opgetrokken grafkeldertjes (MeMO institution ID 61)
  • de Janskerk in Gouda, met meer dan 50 gebrandschilderde glazen (memorievoorstellingen) en grafzerken (MeMO institution ID 216)

Musea en bibliotheken
Geschilderde memorietafels zijn voor het overgrote deel uit de kerken gehaald. Ze zijn na de Reformatie over de hele wereld verspreid geraakt. In sommige steden zijn rond 1580 diverse geschilderde memorievoorstellingen in het bezit van de stad gekomen. Later zijn deze in de stedelijke musea ondergebracht. Ook zijn er memorietafels via aankoop of schenkingen in stedelijke of nationale museale collecties opgenomen. De grootste aantallen bevinden zich in Utrecht. Het Centraal Museum huisvest momenteel meer dan 30 memorievoorstellingen of resten daarvan. Hiervan is een groot deel uit de Utrechtse kerken en kloosters afkomstig. In Museum Catharijneconvent in dezelfde stad zijn meer dan 20 memorievoorstellingen te vinden, afkomstig uit instellingen uit heel Nederland.

De handschriften met de memorieregisters en de verhalende bronnen uit de kerken en kloosters zijn ten gevolge van de Reformatie voor een deel in handen van de steden gekomen. Deze tekstbronnen bevinden zich in de archiefinstellingen en bibliotheken en zijn daar alleen op aanvraag en soms alleen op afspraak in te zien. Een aantal memorieregisters is inmiddels volledig gedigitaliseerd en op het internet beschikbaar op de websites van de bewarende instellingen. Ze zijn eveneens door middel van een link in de beschrijvingen van de registers in de MeMO-database toegankelijk gemaakt (zie 5.5 voor een overzicht van de gedigitaliseerde memorieregisters).


Terug naar boven

2.6 Literatuur en websites

Literatuur

  • Brink, Trudi, 'Ontworpen voor de eeuwigheid. De memoriesculptuur voor Joost Sasbout en Catharina van der Meer in de Eusebiuskerk te Arnhem', Bulletin KNOB 112 (2013) 152-165.
  • Bueren, Truus van, 'Gebruik en functie van memorieboeken. Met voorbeelden uit norbertijnenkloosters', in: H. Janssens (red.), Memorievieringen bij Norbertijnen. Werkgroep Norbertijner Geschiedenis in de Nederlanden. Bijdragen van de contactdag 16 (Averbode 2006) 7-32.
  • Bueren, Truus van, en Molly Faries, 'Care for the Here and the Hereafter. Using IRR in the Study of Memorial Paintings' in: Hélène Verougstraete and Roger van Schoute with A. Dubois (red.), Colloque XII pour l'étude du dessin sous-jacent et de la technologie dans la peinture. La peinture dans les Pays-Bas au 16e siècle, Pratique d'atelier (Louvain-la-Neuve 1999) 147-154.
  • Bueren, Truus van, en Rolf de Weijert, 'Medieval Memoria Online (MeMO): New research possibilities' in: Medieval Memoria Research (May 2009) 7-20.
  • Bueren, Truus van, Kim Ragetli en Arnoud-Jan Bijsterveld, 'Researching Medieval Memoria: Prospects and Possibilities. With an Introduction to Medieval Memoria Online (MeMO)', Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 14 (2011) 183-234.
  • Ciulisová, Ingrid, 'Memory and witness: "Translated images'", Cultura B-Wetteren - ALA - archeology (2009), 17-27.
  • Gumbert, J.P., Codicologische eenheden - opzet voor een terminologie, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Mededelingen van de Afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel 67 no. 2 uitwerkingen.
  • Kloek, W.T., W. Halsema-Kubes en R.J. Baarsen, Kunst voor de Beeldenstorm (deel 1, 's Gravenhage 1986) 100, 102.
  • Oosterwijk, Sophie, 'Babes on brackets. A meaningful distinction or an iconographic oddity on medieval tomb monuments?', in: Rolf de Weijert, Kim Ragetli, Arnoud-Jan Bijsterveld and Jeannette van Arenthals (eds), Living Memoria. Studies in Medieval and Early Modern Memorial Culture in Honour of Truus van Bueren, Middeleeuwse Studies en Bronnen, CXXXVII (Hilversum 2011) 251-68.
  • Schleif, Corine, en Volker Schier, 'Puzzles on and under the surface: changed subjectivity in the Imhoff epitaph' in: Julien Chapuis (ed.), Invention: Northern Renaissance Studies in Honor of Molly Faries (Turnhout 2008) 153-161.
  • Schulte, A.G., De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem; IJkpunt van de stad (deel 1), (Utrecht 1994) 179-182.
  • Van de Perre, Dirk, 'Het Ninoofse kapittelboek, in: H. Janssens (red.), Memorievieringen bij Norbertijnen. Werkgroep Norbertijner Geschiedenis in de Nederlanden. Bijdragen van de contactdag 16 (Averbode 2006) 35-46.
  • Velden, G. van der, Het necrologium van Arnold van Vessem uit 1574, aangevuld met namen van abdijleden tot 1986 (Berne 1986).
  • Vos, R. en F. Leeman, Het nieuwe ornament ('s-Gravenhage 1986) 163-164.

Links

Websites

Aanvullende informatie in handschriften

  • De handschriften die de geschiedkundige Arnoldus Buchelius eind zestiende begin zeventiende eeuw samenstelde, bieden beschrijvingen van grafmonumenten, gebrandschilderde glazen en andere inrichtingsstukken van kerken die inmiddels al lang verdwenen zijn, maar die wel, al dan niet als aanvulling op de in de database beschreven objecten en teksten, belangrijke informatie kunnen opleveren over de cultuur van de memoria. Voor de Monumenta, de Inscriptiones en de Monumenta quaedam, zie http://www.hetutrechtsarchief.nl/collectie/handschriften/buchelius.

Zie hoofdstuk zeven voor een algemeen overzicht van de literatuur en de websites die in deze inleidende teksten worden genoemd.


Terug naar boven
Medieval Memoria Online v1.1 — © 2013 Utrecht University